CyprinodontiformesCyrtocara moorii

Cyprinodontifórmes

= afgeleid van Cyprinodon.

Tandkarpers

Orde van voornamelijk kleine zoet- en brak water vissen uit de infraklasse van de ➛Teleostei, nauw verwant aan de ➛koornaarvissen, waaronder ze lang geplaatst zijn.

De onderlinge verwantschappen zijn, afhankelijk van de groep, soms groot. Dit, en de vele geïsoleerde leefomgevingen, heeft geleid tot ten onrechte als nieuw soort beschouwde variaties, vele synoniemen, en discussies over hoe deze orde in te delen in families, geslachten en ondergeslachten. Het einde hiervan is voorlopig nog niet in beeld.

Onder de tandkarpers valt een groot aantal populaire aquariumvissen, waarin de eierleggende (ovipare) soorten, beter bekend als ➛killivissen, en de levendbarenden worden onderscheiden. Die laatste zijn weer te groeperen in de levendbarende (vivipare) als eierlevendbarende (ovovivipare) soorten. Bij deze twee ontwikkelen de jongen zich in het moederlichaam, nadat de vrouw inwendig is bevrucht met behulp van een ➛gonopodium of ➛andropodium, een vergroeide anaalvin bij de man.

Enkele soorten hebben een groot aanpassingsvermogen en leven in een extreme omgeving met zeer zuur, zout, warm of ernstig vervuild water. Het verspreidingsgebied beslaat met name het tropische deel van de wereld, Australië uitgezonderd. In Europa en Amerika zijn ook enkele soorten in de meer gematigde gebieden te vinden.

Veelvormige vissen, die vaak langgerekt en slank, maar ook hoog ovaal of bijna rond kunnen zijn, gestroomlijnd en krachtig, sierlijk of wat plomp. Hun lichaamsdoorsnede is vaak rond. In veel gevallen is de kop tot aan de rugvin van boven vlak. In dat geval is de bek breed en meestal bovenstandig, soms eindstandig. De vinnen zijn vaak afgerond, rug- en staartvin hebben soms verlengde punten. De rugvin kan ook ver naar achteren zijn geplaatst, veel soorten zijn door de ondiepe leefomgeving noodgedwongen oppervlaktebewoners. Een zijlijn ontbreekt of is onvolledig. Vele soorten zijn zeer kleurrijk, al geldt dat met name voor de mannelijke dieren: er is vaak een duidelijke ➛geslachtsdimorfie.

De tandkarpers zijn over de volgende families verdeeld:

Cyrtócara

= met een rond (voor)hoofd.

Monotypisch geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. De enige soort binnen het geslacht is de soort C. moorii.

móorii

Boulenger 1902

Te vinden op enkele meters diepte langs de oevers van het gehele ➛Malawimeer, maar ook in het daarmee verbonden en zuidelijker gelegen Malombemeer. Voornamelijk boven de zandbodem, soms ook langs de rotsen.

Cyrtocara moorii
Cyrtocara moorii. © ➛J. de Lange

Lichaam langwerpig ovaal, zijdelings sterk samengedrukt. Staartwortel betrekkelijk lang. Eindstandige, laaggeplaatste bek met vlezige lippen, waarop de tanden bij oudere dieren goed zichtbaar kunnen zijn. De rugvin begint vrij ver achterwaarts, wat de dieren wat 'kaalhoofdig' doet lijken. Ook de staart is afgerond, met een lichte inwaartse welving. De aarsvin kan, evenals de rugvin, stomp zijn of in een punt eindigen. Het geslachtsonderscheid is bij jonge dieren lastig: vrouwen en mannen zijn nagenoeg identiek gekleurd. Oudere mannen ontwikkelen een voorhoofdsbult, waarnaar de geslachtsnaam verwijst. Kleur vrijwel geheel licht kobaltblauw, met 8 tot 9 niet altijd even zichtbare donkere dwarsstrepen en een streep tussen oog en mondhoek. Ook worden soms drie donkere vlekken getoond, op de kieuwdeksel, hoog midden op de flank en even voor de staartwortel. In de paartijd kleuren mannen donkerder blauw, evenals dominante mannen. Eivlekken ontbreken, zoals te zien bij vele andere Malawicichliden. Jonge dieren grijzer. Ondanks de ruime verspreiding in het meer zijn er geen lokale varianten. In het aquarium kunnen de dieren tot 30 cm groot worden.

Lengte tot 22 cm.

Solitair levende vissen, die zich voeden met wat andere vissoorten, zoals Fossorochromis rostratus, bij het wroeten in de bodem opwervelen. Daarbij houden ze zich schuil achter hun kieuwdeksels. Deze gastheervissen worden verdedigd tegen andere moorii's. In het aquarium zijn de dieren goed in een harem te houden. Gebruik bij de inrichting bij voorkeur fijn zand, en zorg voor stenen, zodat onderschikkende dieren een goed heenkomen kunnen zoeken tegen agressie. Een geregelde ➛waterwissel is aan te raden. Weinig kieskeurige eters die ook prima droogvoer lusten. Pas echter op met al te eiwitrijk voedsel, zoals veel ➛wormen.

Vrij eenvoudig te kweken muilbroeders. Deze taak wordt geheel door de moeder uitgevoerd. Enkel tijdens de paai zijn de dieren territoriaal. De man kiest de paaiplaats en lokt een vrouw. Tijdens de paai wisselen man en vrouw van plaats, waarbij tot 90 eieren worden afgezet, bevrucht en door de vrouw in de bek genomen. De eieren komen na enkele dagen uit, waarna de jongen nog enige tijd op een dooierzak teren. 17 tot 18 dagen na de paring zwemmen de jongen vrij rond, maar zoeken bij gevaar moeders bek weer op. Dit stopt na ongeveer een week. Jongen zijn te voeren met Artemia formaat ➛jongbroedvoer. Ververs geregeld water gedurende het gehele proces.

Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.

Temperatuur: 24 tot 30° C

pH: 7-9   dH: 8-30   fH: 14-53   ppm: 130-500

In het wild een kwetsbare soort. Koop daarom enkel ➛nakweek. In oudere literatuur te vinden onder het geslacht ➛Haplochromis.