Palingachtigen
Orde van langwerpige, slangachtige roofvissen uit de infraklasse van de ➛Teleostei. De meeste soorten leven in zee, enkele ook in zoet water, maar alle soorten zoeken vroeg of laat in hun levenscyclus het zeewater weer op. Slangachtige dieren met een langwerpig lichaam. Het onderscheid met slangen is te zien aan de lange rugvin die tot aan de staartpunt reikt, evenals de kortere aarsvin, waarmee de rugvin soms is vergroeid. Buikvinnen ontbreken, soms ook de borstvinnen. De kop is spits, met een diep ingesneden, eindstandige bek. Deze bevat spitse en scherpe tanden, vaak voorzien van gifklieren. Het lichaam is grotendeels rond in doorsnee, alleen de staart is zijdelings sterk afgeplat. De huid lijkt schubloos, maar de ➛schubben zijn zeer klein en liggen diep in de meestal zeer slijmerige huid.
Bekende dieren uit de familie zijn murenen en palingen, de laatste uit de familie van de ➛Anguillidae.
Dierenrijk
Dieren zijn meercellige ➛organismen, voorzien van zintuigen. Deze houden zich in leven door het eten van ander organisch materiaal, dat inwendig wordt omgezet in energie, waarbij ➛zuurstof wordt gebruikt, een proces dat ➛dissimilatie wordt genoemd. Dieren kunnen zich over het algemeen vrij bewegen, in tegenstelling tot de planten, ➛Plantae, en schimmels, ➛Fungi, en planten zich geslachtelijk voort.
Binnen het kader van de aquariumhobby zijn voornamelijk de beenvissen of ➛Osteichthyes interessant, samen met de kreeftachtigen of ➛Crustacea uit de orde van de ➛Arthropoda (geleedpotigen). Naast deze laatste zijn er nog vele meer of minder genode ongewervelden of ➛Invertebrata in het aquarium terug te vinden.
Klein geslacht van slakken met 9 soorten uit de familie van de ➛Planorbidae.
Kleine longslakken met een in het platte vlak gewonden huis, zeer plat. Hierdoor, en door het grote aantal windingen lijkt het daardoor nogal overmaats in vergelijking met het lichaam. Het huis wordt liggend gedragen. Een ➛operculum ontbreekt. Het lichaam is enigszins doorschijnend bruin, kort, met een aan de achterzijde in een punt uitlopende voet. De kop is kort en hoog, met twee vrij lange en dunne tasters.
Alle inheems in noordelijk Europa.
Geronde schijfhoorn
Algemeen in Nederland en België, in kustgebied, langs rivieren en andere gebieden die geregeld droogvallen.
Geelbruin huis, tot 6 windingen, met aan de onderkant plattere windingen en een onduidelijke kiel.
Lengte tot 9 mm.