Beenvisachtigen
Superklasse van vissen uit de stam van de ➛Chordata die, op een enkele uitzondering na, een skelet van been of bot bezitten. De belangrijkste, en ook voor de aquaristiek interessantste groep hierbinnen vormen de straalvinnigen of ➛Actinopterygii.
Arowana's
Familie van grote, langwerpige roofvissen uit de orde van de ➛Osteoglossiformes.
De verspreiding is wereldwijd in tropisch gebied, in Zuid-Amerika, Afrika, Azië en Australië. Zijdelings sterk samengedrukte vissen met een niet geheel parallelle rug- en buiklijn, waardoor het lichaam naar achteren taps toeloopt. De kop is driehoekig, met een diep ingesneden bovenstandige bek die aan de onderkant scharniert en bij openen de kop min of meer splijt, geschikt voor zeer grote prooien. Aan de onderlip zijn twee vlezige, spitse tasters bevestigd. De rugvin beslaat ongeveer het achterste derde deel van het lichaam, de aarsvin de helft. De staart is rond waaiervormig en erg klein. Schubben zijn erg groot en lopen in een schuine patroon achterwaarts af.
Arowana's zijn populair in Aziatische restaurants en in dierentuinen, maar voor het huiskameraquarium worden ze al snel te groot, en kunnen om die reden als ongeschikt worden beschouwd. De gemiddelde lengte van deze vissen bedraagt zo'n 60 tot 80 cm, dit vereist een aquarium van 1500 liter of meer.
Beentongvissen
Kleine orde van primitieve vissen uit de infraklasse van de ➛Teleostei of beenvissen. Een kleine 250 soorten komen wereldwijd verspreid voor in tropisch en subtropisch gebied, voornamelijk in zoet water. Kenmerkend is de benige tong, soms getand, waaraan de dieren hun naam ontlenen. De soorten zijn verdeeld over vier families met zeer diverse vormen:
Gymnarchidae, ➛Mormyridae, ➛Notopteridae, ➛Osteoglossidae en ➛Pantodontidae.
Voorheen vielen de Gymnarchidae en Mormyridae onder de orde van de Mormyriformes, nu een synoniem voor deze orde.
Mosselkreeftjes
Soortenrijke klasse van kreeftachtigen of ➛Crustacea met vele duizenden beschreven soorten. In zoet water komen uitsluitend soorten uit de orde Podocopida voor, waarvan meerdere geregeld in aquaria worden aangetroffen. Het zijn relatief eenvoudig gebouwde kreeftachtigen, waarvan het lichaam door twee schelpen wordt omsloten tot een boonvormig geheel. De schelphelften bestaan uit ➛chitine en zijn bij sommige soorten verkalkt. Ook kunnen ze, net als een echte mossel, de schelp krachtig sluiten. De dieren zwemmen in een rechte, soms golvende lijn door het water. Daarbij maken ze gebruik van twee antennen, die tussen de voorkant van de twee schelpdelen uitsteken, die ze afwisselend een roeibeweging laten maken.
.Voortplanting gaat zowel geslachtelijk als geslachtloos (➛parthenogenese). Van sommige soorten zijn zelfs nooit mannen ontdekt. De larven vervellen acht keer en zijn dan volwassen.
Voedsel bestaat uit plantaardig afval, waar ze zich met een pootje, dat aan de onderkant van de schelp uitsteekt, aan vast houden of zich met een schuivende beweging over verplaatsen. De grootte van de meeste soorten ligt tussen de 0,1 en 2 mm, maar in zee leven dieren tot ruim 3 cm.
Enkele veel voorkomende soorten in aquaria zijn Cypridopsis vidua, tot 1 mm groot, doorschijnend met een zwarte nettekening, maar ook Cypricercus fuscatus, tot een halve mm. oranje-geel doorschijnend. Ook oranje-geel is Eucypris virens, maar dan 2 mm groot
Als voedsel zijn de kreeftjes voor kleine vissen vaak te hard, en voor veel vissen te klein. Mosselkreeftjes kunnen wel worden ingezet in de strijd tegen groene ➛zweefalg.
Vermijd deze kreeftjes in kweekbakken, aangezien ze eieren en pas uitgekomen jongen aanvallen.