Monotypisch geslacht van meervallen uit de familie van de ➛Loricariidae. L. gibbosa is al lang bekend als aquariumvis en nagenoeg bedreigd. Mogelijk is er een tweede soort, maar deze wordt vooralsnog als variant gezien.
Endemisch in het Ribeiro de Iguape bekken in de staat São Paulo in Brazilië, Zuid-Amerika. Te vinden in betrekkelijk koel water.
Lichaam gedrongen voor de familie, met een brede kop, naar de staart toe slank. Als alle leden van de familie volledig bepantserd, een vetvin ontbreekt. Onder de forse, stompe snuit bevindt zich de zuigmond. Borst- en buikvinnen staan horizontaal opzij. Grondkleur is licht beigegrijs, met een donkerbruine zigzagtekening tussen rug- en staartvin. Ook meer oranje en geel gekleurde dieren komen voor.
Lengte tot 5 cm.
Vreedzame dieren, geschikt voor ander, eveneens rustig ➛gezelschap. Zuurstofrijk, helder water met een vrij lage temperatuur is van belang. Dit ook geregeld verversen. Zorg ook voor stenen en hout, liefst met algaangroei, de dagelijkse kost in de natuur. Indien afwezig kan met ➛plantaardig voer worden gevoerd of met plantaardig droogvoer, zoals ➛Spirulina.
De soort is nog niet in het aquarium nagekweekt.
Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.
Temperatuur: 15 tot 25° C
pH: 6-8 dH: 4-30 fH: 7-53 ppm: 70-500
Kopen: nee.
Tak van voornamelijk langwerpige Afrikaanse cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. Deze komen vooral voor in het ➛Tanganyikameer, maar ook in de Congo rivier. Ook komen enkele hoge en ovale vissen voor.
Het zijn bij liefhebbers populaire, kleine tot middelgrote in ➛holen broedende cichliden. Het merendeel van de soorten welke voorheen onder het verzamelgeslacht ➛Lamprologus vielen zijn na het opdelen daarvan ondergebracht in de volgende zeven geslachten:
➛Altolamprologus, ➛Chalinochromis, ➛Julidochromis, ➛Lepidiolamprologus, ➛Neolamprologus, ➛Telmatochromis en Variabilichromis.
Geslacht van cichliden met ruim 15 soorten uit de familie van de ➛Cichlidae.
Vertegenwoordigers komen vooral voor in het Tanganyikameer als ook enkele in het stroomgebied van de Congo rivier. Het geslacht is nog onder revisie; mogelijk blijven alleen de rivierbewoners over. Het geslacht is lang als verzamelgeslacht gebruikt voor allerlei min of meer gelijkende dieren, en kent meerdere opdelingen, alle sinds 1986 ondergebracht in de stam van de ➛Lamprologini.
Er is een duidelijk verschil tussen de meer- en de rivierbewoners. De eerste zijn gedrongener en hoger van bouw, vaak slakkenhuisbewoners, terwijl de rivierbewoners langgerekter en ronder zijn. Overeenkomsten zijn er ook: de ogen zijn hoog geplaatst in de relatief grote kop; de rijen vlekken op de flank en in de staart. De rugvin is een stuk langer dan de aarsvin, beide met een hard- en weekstralig deel. De ongepaarde vinnen zijn vaak van helder gekleurde randen voorzien, soms met vlekken.
Hol bewonende bodemvissen, die dit ook agressief verdedigen. De dieren vragen daarvoor de nodige ruimte om niet steeds in elkaars zicht te hoeven komen. Zorg daarom voor voldoende schuilgelegenheid voor alle individuen. Gezien de graaflust van meerdere soorten is een bodem van fijn, afgerond grind het meest geschikt. Typerend is het in rust op de buikvinnen steunen. Meerdere vrouwen bij één man voorkomt dat alle agressie steeds door hetzelfde slachtoffer wordt geïncasseerd.
Veelal niet moeilijk te kweken vissen, die, als nagenoeg alle Lamprologini, in holen broeden, de soorten uit het Tanganyikameer vaak in ➛slakkenhuizen. Eieren worden in de regel tegen een wand afgezet en zorgvuldig bewaakt, meestal door de vrouw, terwijl de man het territorium verdedigt.
Endemisch in het Tanganyikameer. Deze soort leeft op een diepte van 10 tot 30 meter op de zandbodem, in de beschutting van een verlaten ➛slakkenhuis, waar ook na paarvorming de eieren in worden afgezet. Vanaf dat moment wordt het slakkenhuis door beide ouders bewoond.
Een kleinere soort met een relatief grote kop en zeer grote bek. De typische lamprologuskleur vertoond lichtblauwe dwarsstrepen, afwisselend smal en breed, welke aan de achterzijde ook op de vinnen doorlopen. De ongepaarde vinnen zijn lichtblauw gezoomd. De kieuwdeksel vertoond een kleine donkere vlek aan de rand.
Lengte ♀ tot 35 mm, ♂ tot 45 mm.
Slakkenhuisbewoners. Een inrichting met zandbodem, stenen en minimaal één schelp per individu kan voldoen. Plaats de schelpen zodanig ver uit elkaar, dat de dieren niet voortdurend in elkaars aandacht belanden. Houdt per man zeker twee vrouwen, om de laagste in rang te ontzien.
Vrij eenvoudig te kweken. Mannen paren met meerder vrouwen indien aanwezig. Vrouwen lokken mannen naar hun ingegraven schelp en deponeren hun eieren daarin als de man interesse toont. Vervolgens bevrucht de man deze in de schelp op het moment dat de vrouw de schelp verlaat, waardoor het sperma de schelp in zuigt. De broedzorg is een taak voor de vrouw, mannen spelen hierin geen rol. Na een dag komen de eieren uit en na zeven dagen zwemmen de jongen vrij. Deze kunnen direkt aan de ➛Artemia.
Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.
Temperatuur: 23 tot 27° C
pH: 7-9 dH: 8-30 fH: 14-53 ppm: 130-500
Kopen: ok.