CycnogetonCynolebias griseus

Cycnogéton

Klein geslacht van moerasplanten met 9 soorten uit de familie van de ➛Juncaginaceae.

Taaie, grasachtige, ➛rizoom vormende planten, inheems in Australië en op Nieuw-Guinea. Recht omhoog groeiende bladeren, lang en lintvormig als ➛Vallisneria, in rechtop staande rozetten. Wortels met bolletjes aan de uiteinden.

Eén soort is geschikt voor het aquarium.

prócerum

Buchenau 1868

Inheems in oostelijk en zuidoostelijk Australië, in ondiep water en langs oevers, in zowel zoet als ➛brak water, ook met stroming.

Zeer variabele soort met vele lokale vormen, met de bij het geslacht beschreven algemene kenmerken. In het aquarium vormt een enkele plant een smalle, uit lichtgroene linten bestaande zuil tot aan het oppervlak, waar deze horizontaal buigen. Geregeld worden bloeiwijzen aangemaakt.

Hoogte tot 2 m, breedte tot 8 mm.

Sterke, maar traag groeiende plant, die veel ruimte in de hoogte vraagt. Groeit ook bij weinig licht. Te lange bladeren kunnen worden ingekort.

Te vermeerderen uit zaad; onduidelijk is of de bollen aan de wortels nieuwe planten kunnen voortbrengen.

Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.

Temperatuur: 22 tot 28° C

pH: 5-7   dH: 4-12   fH: 7-21   ppm: 70-200

De soort is lang bekend geweest als Triglochin procera.

cylindráceus

= cilindrisch.

Rívulus

Cynodóntidae

= afgeleid van Cynodon.

Kleine familie van Zuid-Amerikaanse, roofzuchtige karperzalmen uit de orde van ➛Characiformes.

Cynodontidae
Kop van Rhaphiodon vulpinus. © ➛F. Schäfer

Vrijwel geheel zilver glanzende, zeer langwerpige, meer of minder hoge vissen, zijdelings zeer sterk afgeplat. De rug kan zeer hoog gewelfd zijn, de buik is scherp gelijnd. Kop betrekkelijk klein, de ogen ver vooraan, en een zeer diep ingesneden, bovenstandige laadklep als bek met veel grote, spitse tanden, waarvan de voorste twee zo lang zijn,dat ze geheel sluiten van de bek verhinderen. Vinnen klein, met uitzondering van de staart en de zeer lange en spitse borstvinnen. De rugvin staat wat verder dan gemiddeld achterwaarts.

De verspreiding loopt van rivieren in het noorden van Zuid-Amerika als de Rio Orinoco, de Amazone tot in de Rio Paraná en Uruguay in het zuiden van Brazilië en Uruguay.

Alhoewel de dieren niet aan karperzalmen doen denken, bezitten ze wel degelijk de kenmerken er van: een ➛vetvin en het ➛orgaan van Weber. Enkel de jonge dieren leven in scholen, eenmaal volwassen worden ze solitair. De meeste soorten worden veel te groot voor het gemiddelde aquariumformaat, openbare aquaria zijn daarom meer geschikt. Bewoners van open, zuurstofrijk water met flinke stroming, zoals stroomversnellingen. De dieren leven vooral in de middenzone en ook nabij het wateroppervlak, waar ze een vaste positie handhaven. Langs zwemmende vissen tot half de eigen lengte worden bejaagd.

Redelijk goed houdbare dieren zijn er in alle drie de geslachten, te weten Cynodon, ➛Hydrolycus en Rhaphiodon.

Cynolébias

= hondsvis.

Geslacht van tandkarpers met ruim 20 soorten uit de familie van de ➛Rivulidae.

Dit ooit eens grote geslacht is in 2008 opgedeeld, waarbij veel bekende aquariumsoorten zijn verplaatst naar onder meer de geslachten Amatolebias, Argolebias, ➛Austrolebias, Megalebias en ➛Hypsolebias, alle in de onderfamilie Cynolebiinae. Donker gekleurde ➛seizoenvissen uit de kuststreek van centraal oostelijk Brazilië in Zuid-Amerika, in ondergelopen land en poelen, meestal nabij een rivier. Het lichaam is knots- of lepelvormig, met hoge, afgeronde ongepaarde vinnen of eindigend in een hoge, brede punt. De staart is waaiervormig. Buikvinnen klein. De kop is stomp en rond in doorsnede, met een bovenstandige, kleine maar krachtige bek met stevige tanden. De naam heeft betrekking op de hondachtige tandbezetting van C. porosus.

Bepaald geen beginnersvissen, die voor het ➛gezelschapsaquarium alleen met zorgvuldig overwogen soorten zijn te combineren. Levendige en naar elkaar nogal bijterige dieren, wat in de paartijd nog toeneemt. Dat geldt voor zowel mannen als vrouwen onderling. Mannen zijn territoriaal en komen vrijwel niet van hun plek; de hofmakerij wordt door vrouwen uitgevoerd die de verschillende territoria doorkruisen.

Zorg voor voldoende ruimte en schuilgelegenheid, zodat er dekking is voor de agressie. Enkele soorten woelen graag in de bodem, alleen sterke planten in potten, met stenen op hun plek gefixeerd, zijn het overwegen waard. Goede ➛filtering, zonder al te veel stroming, is van belang, of (twee)dagelijks wat water verversen. Inrichten gaat daarom het beste met stukken hout. De dieren leven 6 tot 8 maanden en vragen om hun zeer snelle groei derhalve veel voedsel. Aan het eind van die periode beginnen de dieren tekenen van ouderdom te vertonen: ze worden lusteloos en zwemmen gaat onzeker. In de natuur sterven de meeste dieren voor hun bron is uitgedroogd, mogelijk door vogels.

De kweekbaarheid varieert. Het zijn typische ➛substraatduikers. Het kweken zelf is niet de grootste moeilijkheid. Gericht kweken met geselecteerde ouders vereist het gescheiden houden van de geslachten, indien sprake is van meerdere mannen en vrouwen. Zodra geslachtsrijpheid is bereikt draait namelijk alles om de ➛voortplanting en wordt het moeilijk te bepalen welke dieren met elkaar hebben gepaaid. Zet voor de kweek enkele vrouwen samen met één man. Sommige jongen groeien sneller dan andere en eten deze laatste bij gebrek aan ander voedsel. Houdt groot en klein daarom uit elkaar voor een betere opbrengst. Voeren kan al meteen met Artemia formaat ➛jongbroedvoer, maar door de snelle groei is overstappen op iets groters al snel nodig.

Twee ondergeslachten: Bathylebias, met enkel C. griseus, en Cynolebias. Deze vissen worden niet of nauwelijks in de handel aangeboden en zijn het best verkrijgbaar via de speciale verenigingen, waarbij de in turf bewaarde eieren van kwekers kunnen worden overgenomen. De meeste bij de IUCN geregistreerde soorten zijn meer of minder in hun bestaan bedreigd.

gríseus

Costa, Lacerda & Brasil 1990

Endemisch in de rio Paraná in de staat Goiás in oostelijk Brazilië, nabij de plaats Nova Roma.

Cynolebias griseus
Cynolebias griseus ♂. © ➛F. Vermeulen

Betrekkelijk onopvallend gekleurde dieren met een bruinig lichtgrijze tint, rug olijfgroen. Vanaf het oog tot de kieuwdekselrand enkele korte, donkerbruine strepen, parallel aan elkaar, met langs de rug nog enkele dergelijke vlekken. Op de flank bruingrijze dwarsstrepen. Soms is een dubbele zwarte vlek midden op het lichaam aanwezig. De ongepaarde vinnen dragen de huidskleur met straalsgewijze, transparante vlekken. Mannen groter, met franje verlengde rug- en aarsvin.

Lengte ♀ tot 7 cm, ♂ tot 10,5 cm.

De enige soort uit het ondergeslacht Bathylebias. Verzorging, gedrag en kweek als beschreven bij het geslacht. Kweekt vrij eenvoudig, maar het bewaren van eieren vraagt de nodige zorg, evenals de opfok. Incubatie 4 tot 5 maanden, bewaren tussen 24 en 27°..

Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.

Temperatuur: 18 tot 26° C

pH: 7-9   dH: 4-18   fH: 7-32   ppm: 70-300

Een ernstig bedreigde soort.