Uitgebreid geslacht van meervallen met ruim 60 soorten uit de familie van de ➛Loricariidae.
Zeer slanke vissen uit Zuid-Amerika, met een lange, zweepachtig uitlopende staart en een platte, vrij brede kop met een van franje voorziene zuigmond.
Vreedzame dieren, die vooral tegen de schemering of in de nacht actief worden. Overdag liggen of hangen ze onbeweeglijk aan een stuk hout of ruit vastgezogen. Helder en zuurstofrijk water zijn vereist, flinke stroming aanbevolen. Voor de rest sterke vissen met een groot aanpassingsvermogen, die ook prima in een ➛gezelschapsaquarium passen. Dankzij hun geringe activiteit kan met een betrekkelijk klein aquarium worden volstaan. De ➛temperatuur in de regel niet boven de 25° laten oplopen, adem happen aan het wateroppervlak komt dan geregeld voor. Een bodem met grind met daarop herfstbladeren is zeer geschikt, wat (platte) stenen en stukken hout kunnen voor rustplaats of schuilgelegenheid dienen. Al te fel licht kan met drijfbladeren worden gedempt. De dieren zijn paarsgewijs of in een kleine groep te houden. Aangegeven aquariumgrootte geldt voor een paar.
Als voedsel is zowel ➛dierlijke als ➛plantaardige kost van belang. Belangrijk is ervoor te waken dat ze bij het voeren voldoende aan bod komen, aangezien ze in de strijd om voedsel met andere vissen dikwijls aan het kortste eind trekken. Gericht voeren is daarom van belang.
Kweken is meestal niet moeilijk, maar het grootbrengen van de jongen vereist veel aandacht. Zorg voor afwisselend voer. Stimuleren van de kweek kan door om de paar dagen een flinke waterwissel met relatief koel water te doen. Eieren worden 's nachts afgezet in een hol waarin de dieren net passen. Veel gebruikt zijn stukken pvc-buis van 5 cm doorsnee en 20 tot 25 cm lengte. Deze worden door de man schoon gepoetst. De tot 150 stuks afgezette, 2 mm grote eieren worden door de man bewaakt en onderhouden. Dit aantal is afhankelijk van de voeding, de grootte van de moeder en hoeveel legsels eraan vooraf zijn gegaan. Afhankelijk van de temperatuur komen de eieren na maximaal 11 dagen uit. De dooierzak is opgebruikt na 2 tot 5 dagen, jongen zijn dan al tot 15 mm lang. Voeden van de jongen is lastig. ➛Microwormen, ➛grindalwormen en ➛Artemia zijn niet in alle gevallen geschikt. Bealgde voorwerpen uit een zonnig staande bak buiten gaan goed, evenals spinazie-, boerenkool- en slabladeren die enige dagen in water hebben gelegen en komkommer plakjes. Beter niet in kokend water houden, dit kost veel voedingswaarde. Fijngehakte ➛tubifex en ➛rode muggenlarven worden ook goed gegeten, evenals kleine ➛watervlooien. Belangrijk is dat de dieren continue voedselaanbod hebben, maar ook niet zoveel dat watertroebeling ontstaat.
Fonchiichthys, Hemiloricaria en Leliella zijn synoniemen; er bleek niet voldoende basis voor deze geslachten.
Endemisch in het stroomgebied van de Beni rivier in Bolivia.
Uiterlijk volgens de geslachtsbeschrijving. Karakteristiek is de gelig witte buik, die ook op de knik over de flank op de rug iets zichtbaar is. Rug verder lichtbruin met een fijne, donkerbruine vlekkentekening. Vinnen gemarmerd.
Lengte tot 8 cm.
Verzorging, gedrag en kweek als bij het geslacht vermeld. Tot 150 gele eieren worden afgezet.
Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.
Temperatuur: 18 tot 25° C
pH: 6-8 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200
Kopen: ok.