KarperachtigenKaryogamie

Karperachtigen

Cypriniformes

Karperluis

Argulus

Karpers

Cyprinidae

Karperzalmachtigen

Characiformes

Karperachtigen

Cypriniformes

Karperzalmen

Groep vissen uit de orde van de Characiformes, dat veel bekende aquariumvissen bevat. Hun verspreiding beslaat de beide Amerika's, van Texas in het noorden tot en met het Amazonegebied in het zuiden. Niet te verwarren met ➛Afrikaanse karperzalmen.

Als gevolg van taxonomische aanpassingen is deze groep verdeeld geraakt over vier families, waarvan de volgende drie aquariumvissen herbergen:

Het betreft altijd scholenvissen, die in de natuur samenleven met enkele tientallen tot meerdere duizenden dieren. Om deze vissen het daarmee samenhangende zelfvertrouwen te geven is het aan te raden per soort minimaal acht dieren te houden, ook vanwege de interessante interactie tussen de dieren onderling.

In de regel zijn het weinig eisende vissen met een meestal vreedzaam karakter, zeer geschikt voor onervaren liefhebbers. Onderlinge onenigheid betreft in de regel enkel de mannen, in een poging bij een vrouw in de smaak te vallen. Vermijd de combinatie met al te drukke en agressieve soorten, hierdoor neemt de schuwheid toe en is weinig van de dieren te zien. De inrichting vraagt weinig speciaals, wat beplanting wordt gewaardeerd, ook om de laagste in de pikorde beschutting te geven. Als de eisen al wat hoger liggen betreft dit meestal wat zuurder en zachter water, en dat dit geregeld wordt ververst. Nakweek dieren kunnen echter zelfs op leidingwater nog redelijk gedijen. ➛Filtering is altijd aan te raden, maar vermijd al te sterke stroming.

Ook wat ➛voeren betreft zijn er zelden dringende wensen, zowel levend, diepvries- als droogvoer wordt gegeten. Dit dient voornamelijk ➛dierlijk te zijn met een klein aandeel ➛plantaardig.

De kweek is vaak eveneens niet moeilijk en ook in het ➛gezelschapsaquarium kunnen spontaan jonge dieren opduiken. Bij vrijwel alle geslachten verloopt de kweek volgens hetzelfde patroon en zijn vergelijkbare middelen nodig. Gebruik een lange kweekbak van minimaal 25 liter en voorzie deze met fijnbladige planten, zoals ➛mossen, ➛Myriophyllum of ➛Cabomba, of gebruik een kweekmop. Zorg voor gedempt licht, en als het kan wat ochtendzon. Eventueel de bodem van een kweekrooster of een laag knikkers voorzien, de dieren zijn alle vrijleggers die geen broedzorg vertonen, en ook ➛eierroven komt veel voor. Voer de temperatuur op naar het maximum aangegeven bij de soort, ververs 50% van het water, waarna één tot zes kweekstellen wordt geplaatst, eventueel extra mannen. Houdt rekening met de grootte van de bak en eventueel territoriumgedrag van sommige soorten. Indien vrouwen kweekrijp zijn, beginnen de dieren elkaar na te jagen. In de ochtend vindt meestal de afzet plaats. Zij aan zij tussen de planten worden gedurende vele paringen telkens tot 15 eitjes afgezet, tot een totaal van soms meerdere honderden. Om eerdergenoemd eierroven verder tegen te gaan kunnen de ouders hierna beter worden verwijderd. Afhankelijk van de temperatuur komen de eieren binnen maximaal vier dagen uit, waarna de jongen nog tot 4 dagen van hun dooierzak leven. Zodra ze vrij zwemmen kan ➛jongbroedvoer ter grootte van Paramecium worden gevoerd, een week later met Artemia. De jongen groeien over het algemeen snel.

Karyogamie

Versmelten van twee ➛haploïde celkernen tot één ➛diploïde kern tijdens de ➛bevruchting.