Materiaal waarin of -op vissen eieren ➛afzetten. Dit varieert van een modderbodem tot planten, stenen of zelfs een aquariumruit.
Het leggen en ➛bevruchten van ➛eieren. Vele vissoorten bevestigen de eieren met een korte draad aan een ➛afzetsubstraat, dat daarom ook een wand of plafond van een hol kan zijn.
Geslacht van roofzuchtige waterkevers uit de familie van de waterroofkevers of ➛Dytiscidae, met ruim 180 soorten. De verspreiding ligt voornamelijk over het noordelijk halfrond, met enkele uitzonderingen in Afrika en Zuid-Amerika. In Nederland en België komen 16 soorten voor, zoals de algemeen voorkomende tweepuntbeekkever (A. bipustulatus).
Wat kleinere kevers met een gestroomlijnd ovaal lichaam tot 14 mm groot. De donker roodbruine tot zwarte bovenkant is sterk gewelfd, de onderzijde is vrijwel vlak. De kleine kop is voorzien van twee paar korte en één paar lange antennen en een stel krachtige kaken. Het achterste paar poten verzorgt de voortbeweging en worden als roeispanen gebruikt, het voorste dient voor vasthouden van de ondergrond of prooi. Het middelste wordt bij beide taken gebruikt.
Als snelle roofkevers leven deze dieren van diverse waterinsecten en hun larven, kikker- en jonge visjes, reden om de kevers uit aquaria te houden.