Geslacht van karpers met meer dan 25 soorten uit de familie van de ➛Danionidae.
Slanke, langgerekte en levendige scholenvissen met een in doorsnee slechts beperkt samengedrukt lichaam. Deze waren voorheen onder het geslacht Brachydanio ondergebracht. De grotere soorten met twee ➛baarddraden zijn tegelijkertijd onder ➛Devario geplaatst.
De vissen hebben vier volledige of rudimentaire baarddraden en een onvolledige of ontbrekende ➛zijlijn die onder het midden van het lichaam loopt. De kleine bek is bovenstandig, wat past bij hun leven nabij het oppervlak. De anaalvin is van iets van een streep voorzien en de lengtestrepen lopen door tot op de staart.
Onder de danio's zijn veel populaire aquariumvissen te vinden, het zijn sterke vissen die zonder uitzondering goed in een ➛gezelschapsaquarium passen. Het is van belang deze levendige vissen in niet te kleine aquaria te houden in een school van zeker acht dieren. Snelle zwemmers, die voor wat schuwere soorten te opdringerig kunnen zijn. Dekking van boven in de vorm van ➛drijfplanten of -bladeren wordt gewaardeerd, maar is niet strikt noodzakelijk. Stroming geeft de dieren wat te doen met hun zwemlust, maar hoeft zeker niet sterk te zijn. De dieren eten zowel droog- als levend voer, altijd van ➛dierlijke aard, vooral muggenlarven en kleine kreeftachtigen.
De kweek is zelden moeilijk en verloopt grotendeels als vermeld bij de ➛Cyprinidae. Een dichte beplanting is aan te bevelen. Zet meerdere mannen bij een vrouw. De paring vindt vaak plaats bij ochtendzonlicht.
Endemisch in het Rakhinegebied in westelijk Myanmar, waar de dieren leven in traag stromend, helder water dat zich verzamelt in bekkens in de rivier.
Uiterlijk als vermeld bij het geslacht. Blauw gekleurde vissen met een groengele, ogenschijnlijk dubbele zigzagtekening over de lengte. Buik wit. De staartvin is transparant warmgeel getint. Mannen zijn intenser van kleur en kleiner.
Lengte ♀ tot 30 mm, ♂ tot 25 mm.
Verzorging, gedrag en kweek als bij het geslacht beschreven. Minder stromingsbehoeftig dan andere soorten.
Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.
Temperatuur: 22 tot 27° C
pH: 7-8 dH: 0-8 fH: 0-14 ppm: 0-130
Een zeer kwetsbare soort als gevolg van vooral overbevissing. In de handel is vooral nakweek te koop.
Kopen: ok.
Endemisch in kleine, heldere en tot een halve meter diepe zijrivieren ten noorden van het Indawgyi meer, in het stroomgebied van de Irrawaddy, zowel boven een grind- als modderbodem.
Kleur roodachtig beigewit, met een rozerode rug. Langs de ruglijn een helder metaalblauwe baan, met daaronder op de achterste helft een rozerode. Midden op de flank tot 8 metaalblauwe dwarsbanden, die op de staartwortel in een streep overgaan.langs de rugvin een witte lijn die over de staartvin doorloopt. Vinnen kleurloos, met een rood-witte zoom aan de rugvin en een witte aan de aarsvin. Aan de basis van laatste ook een witte rand. Vrouwen steviger, mannen kleurrijker.
Lengte ♀ tot 30 mm, ♂ tot 25 mm.
Verzorging, gedrag en kweek als bij het geslacht vermeld.
Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.
Temperatuur: 15 tot 26° C
pH: 6-8 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200
Kopen: ok.