Geslacht van slakken met ruim 30 soorten uit de familie van de ➛Valvatidae.
Kleine slakken met een uitwendige ➛kieuw, die als een veer of pluim onder het huis uitsteekt. Het rechtsom gewonden, gladde huis oogt als een opgerolde buis en varieert van geheel plat tot een stompe hoorn. Een ➛operculum is aanwezig, waarnaar de geslachtsnaam verwijst. De voet is onder de snuit gespleten.
Deze slakken hebben een voorkeur voor water met weinig stroming en enige beplanting. De tolerantie tegen vervuild water is vrij hoog. Het voedsel bestaat uit ➛organisch afval zoals ➛detritus, en ➛biofilm.
De slakken zijn ➛hermafrodiet, maar kunnen zichzelf niet bevruchten, daarvoor is een soortgenoot nodig. De meeste soorten zijn eierleggend, maar ook eierlevendbarende komen voor.
Platte pluimdrager
Inheems in de noordelijke helft van Europa, in Nederland en België algemeen.
Kleinste Europese soort. Huis geelwit tot lichtbruin, transparant en met 3 tot 3,5 windingen. De bovenkant van het huis is geheel vlak. Lichaam transparant blauwachtig bruin.
Lengte tot 4 mm.
De langwerpige eipakketten zijn met gemiddeld drie eieren op een rij klein, 15 eieren is uitzonderlijk. In het voorjaar is het aantal het hoogst.
Fraaie pluimdrager
Inheems in de noordelijke helft van Europa. In België en Nederland zeer zeldzaam.
Mat glanzend, grijs tot groenachtig lichtbruin huis, met 3 tot 3,5 windingen en een stompe punt.
Lengte tot 5 mm.
Gevoeliger voor watervervuiling dan de andere soorten.
Vroeger aangezien als V. pulchella, waaruit de Nederlandse naam is afgeleid.