Monotypisch geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. De enige soort binnen het geslacht is de soort C. moorii.
Te vinden op enkele meters diepte langs de oevers van het gehele ➛Malawimeer, maar ook in het daarmee verbonden en zuidelijker gelegen Malombemeer. Voornamelijk boven de zandbodem, soms ook langs de rotsen.
Lichaam langwerpig ovaal, zijdelings sterk samengedrukt. Staartwortel betrekkelijk lang. Eindstandige, laaggeplaatste bek met vlezige lippen, waarop de tanden bij oudere dieren goed zichtbaar kunnen zijn. De rugvin begint vrij ver achterwaarts, wat de dieren wat 'kaalhoofdig' doet lijken. Ook de staart is afgerond, met een lichte inwaartse welving. De aarsvin kan, evenals de rugvin, stomp zijn of in een punt eindigen. Het geslachtsonderscheid is bij jonge dieren lastig: vrouwen en mannen zijn nagenoeg identiek gekleurd. Oudere mannen ontwikkelen een voorhoofdsbult, waarnaar de geslachtsnaam verwijst. Kleur vrijwel geheel licht kobaltblauw, met 8 tot 9 niet altijd even zichtbare donkere dwarsstrepen en een streep tussen oog en mondhoek. Ook worden soms drie donkere vlekken getoond, op de kieuwdeksel, hoog midden op de flank en even voor de staartwortel. In de paartijd kleuren mannen donkerder blauw, evenals dominante mannen. Eivlekken ontbreken, zoals te zien bij vele andere Malawicichliden. Jonge dieren grijzer. Ondanks de ruime verspreiding in het meer zijn er geen lokale varianten. In het aquarium kunnen de dieren tot 30 cm groot worden.
Lengte tot 22 cm.
Solitair levende vissen, die zich voeden met wat andere vissoorten, zoals Fossorochromis rostratus, bij het wroeten in de bodem opwervelen. Daarbij houden ze zich schuil achter hun kieuwdeksels. Deze gastheervissen worden verdedigd tegen andere moorii's. In het aquarium zijn de dieren goed in een harem te houden. Gebruik bij de inrichting bij voorkeur fijn zand, en zorg voor stenen, zodat onderschikkende dieren een goed heenkomen kunnen zoeken tegen agressie. Een geregelde ➛waterwissel is aan te raden. Weinig kieskeurige eters die ook prima droogvoer lusten. Pas echter op met al te eiwitrijk voedsel, zoals veel ➛wormen.
Vrij eenvoudig te kweken muilbroeders. Deze taak wordt geheel door de moeder uitgevoerd. Enkel tijdens de paai zijn de dieren territoriaal. De man kiest de paaiplaats en lokt een vrouw. Tijdens de paai wisselen man en vrouw van plaats, waarbij tot 90 eieren worden afgezet, bevrucht en door de vrouw in de bek genomen. De eieren komen na enkele dagen uit, waarna de jongen nog enige tijd op een dooierzak teren. 17 tot 18 dagen na de paring zwemmen de jongen vrij rond, maar zoeken bij gevaar moeders bek weer op. Dit stopt na ongeveer een week. Jongen zijn te voeren met Artemia formaat ➛jongbroedvoer. Ververs geregeld water gedurende het gehele proces.
Geschikt voor aquaria vanaf 300 liter.
Temperatuur: 24 tot 30° C
pH: 7-9 dH: 8-30 fH: 14-53 ppm: 130-500
In het wild een kwetsbare soort. Koop daarom enkel ➛nakweek. In oudere literatuur te vinden onder het geslacht ➛Haplochromis.
Bestendig omhulsel, gevormd door eencellige dieren als ➛bacteriën en ➛infusoriën, om in slaaptoestand betere tijden af te wachten en perioden van droogte te overleven. Uitspraak: kieste.