LepisosteiformesLepomis cyanellus

Lepisosteifórmes

= afgeleid van Lepisosteus.

Beensnoeken

Kleine orde primitieve vissen uit de klasse van de ➛Actinopterygii, met slechts één familie, de kaaimansnoeken of Lepisosteidae. Alle zeven soorten komen uit Noord-Amerika, waar de dieren met de naam 'gar' worden aangeduid..

Lepisosteiformes
Een halfwas Lepisosteus oculatus. © ➛J. de Lange

Grote roofvissen met een snoekvormig lichaam, voorzien van een zeer spitse krokodillenbek, met de ongepaarde vinnen op het achterste deel van het slanke en langwerpige lichaam. De huid is bezet met zeer harde, van een emaillelaag voorziene ➛ganoïdschubben. De kleinste soort is met 91 cm voor een huiskameraquarium al te groot, reden om deze als jong dier zeker aantrekkelijke vissen niet aan te schaffen. Voor een openbaar aquarium zijn deze vissen beter geschikt.

De jachttechniek is angstaanjagend effectief: roerloos hangend in het water zien prooien al snel het gevaar ervan niet meer. Kleine vissen worden, zodra deze op de juiste plek zwemmen, met een snelle, zijwaartse beweging met de kop gepakt en in een oogwenk verwerkt. Voor grotere moet soms een korte stootbeweging worden gemaakt.

De familie bevat twee geslachten, Atractosteus en Lepisosteus, de eerste met drie soorten, de tweede met vier.

Kopen: nee.

Lépomis

= met beschubde kieuwdeksels.

Klein geslacht van baarsachtigen met 10 soorten uit de familie van de ➛Centrarchidae.

Grootste geslacht binnen de familie. Gemiddeld kleine zonnebaarzen met een hoog lichaam en een vrij lange staartwortel, afkomstig uit Noord-Amerika. Hun herkomst maakt het mogelijk de vissen bij kamertemperatuur te houden. Ook in de vijver doen ze het goed. De temperatuur liefst tussen 15 en 22° houden; 's winters kan deze gerust onder de 4° dalen. Bij 10° worden de dieren duidelijk trager.

Typerend aan deze soorten is een vliezig verlengstuk in de bovenhoek van het kieuwdeksel, 'oor' genaamd.

Weinig eisende vissen die zowel vrije zwemruimte verlangen als schuilplaatsen, beplant de randen van het aquarium goed met planten die lage temperaturen verdragen, zoals ➛Myriophyllum, en gebruik stenen of hout. Zorg voor helder en zuurstofrijk water.

Alhoewel het rovers zijn, eten sommige soorten zelfs droogvoer, mocht er niets anders zijn. In de natuur leven de dieren van ➛muggenlarven, wormen, bloedzuigers en eieren van andere vissen en amfibieën.

Kweken is eenvoudig. De man maakt een brede kuil, waarin de vrouw na de hofmakerij en enkele schijnparingen tot 1000 eieren afzet, in vier tot vijf paringen. Deze worden vervolgens door de man zeer agressief bewaakt. De vrouw kan mede daarom het beste worden verwijderd. Na drie tot vier dagen komen de eieren uit, waarna de jongen na ongeveer acht dagen vrij zwemmen. Gevoerd worden de jongen niet, maar wel bewaakt, het nest wordt voortdurend bijgehouden. Na drie jaar zijn de traag groeiende jongen geslachtsrijp.

cyanéllus

Rafinesque 1819

Groene zonnebaars, grasbaars

Oorspronkelijk verspreid ten oosten van de Rocky Mountains, van de Hudson Bay in Canada tot in noordelijk Mexico en de golfkust, maar uitgezet over heel Amerika. Ook in Europa, Afrika en Azië, waar de soort zich hier en daar weet te handhaven. Wordt in Nederland en België nog niet als invasief gezien.

Lepomis cyanellus
Groene zonnebaars. © ➛F. Ingemann Hansen

Uiterlijk als bij het geslacht beschreven, kop spitser dan L. gibbosus. Grondkleur oranjegeel (Am. pumpkin sunfish), Met een ruw netwerk van lichtblauw iriserende lijnen over kop en flank, vaak bovenin tot een vlak versmolten. Het oor is vrij groot, zwart, met een witte rand. Grote, eveneens oranjegele buikvinnen. De aarsvin heeft een oranje zoom. In het wild worden de dieren tot 30 cm.

Lengte tot 13 cm.

Geschikt voor aquaria vanaf 180 liter.

Temperatuur: 15 tot 25° C

pH: 6-8   dH: 4-18   fH: 7-32   ppm: 70-300

Kopen: ok.