Heterochromisheteroclita

Heterochrómis

= andere cichlide.

Monotypisch geslacht van cichliden uit de familie van de ➛Cichlidae. De enige soort is Heterochromis multidens, die zowel wat betreft uiterlijk als lichaamsbouw sterk aan Zuid-Amerikaanse cichliden doet denken. Dit zou een bewijs kunnen zijn dat Zuid-Amerika en Afrika in onheuglijke tijden ooit één geheel waren.

múltidens

Pellegrin 1900

Endemisch in de middenloop van de Congo rivier in zowel Kameroen, Republiek Congo als de Democratische Republiek Congo, Centraal-Afrika.

Heterochromis multidens
Heterochromis multidens paar. © ➛Servimg.com

Grote cichliden waarvan de volwassen man een typische bult op het voorhoofd ontwikkeld. Deze is even breed als het lichaam, waardoor de grote kop een hoekige indruk maakt. Lichaam ovaal, zijdelings sterk samengedrukt, met een lange, tweedelige rugvin en een waaiervormige staartvin. Ook de aarsvin is tweedelig, maar veel korter dan de rugvin. De puntige buikvinnen staan kort achter de borstvinnen.

De grondkleur beigewit met bruingrijze flanken, de schubben hebben elk een donkere rand, met een nettekening tot gevolg. De keel is bruin- tot oranjegeel. De stemming bepaald de zichtbaarheid van de vijf dwarsstrepen, de lengtestreep is in de regel beter te zien. Op het kruispunt met de tweede dwarsstreep is een zwarte vlek permanent aanwezig. Ook over de ogen en het voorhoofd loopt een dwarsbalk. Vrouwen als jonge dieren getekend, grijzig geel, met een zwarte vlek achter in de rugvinbasis, met daarover twee of drie dwarse oranjegele strepen. De keel kleurt helderrood, evenals het oog. Tijdens de paai zijn de dwarsbalken zeer duidelijk. Volwassen mannen kleuren grijsbruin, het voorhoofd donker grijsblauw, evenals de buikvinnen en de ogen. De rug- en staartvin krijgen een brede rozerode zoom. In opgewonden toestand krijgen de ogen lichtblauwe randen.

Lengte ♀ tot 22 cm, ♂ tot 30 cm.

Relatief vreedzame dieren met af en toe onderlinge felle momenten. Dat maakt ze tot zeer geschikte dieren voor beginnende cichlidenliefhebbers. Schuilplaatsen van hout, stenen en planten zijn belangrijk. De laatste kunnen tegelijk al te veel licht dempen, planten worden met rust gelaten. Voedsel bij voorkeur ➛dierlijk, niet te fijn. Liefst levend of diepgevroren, droogvoer wordt echter ook gegeten.

Kweken is vrij eenvoudig, het betreft ➛substraatleggers. Daags voor het afzetten ontwikkelt de vrouw een puntige genitaalpapil. Tot 400 oker- tot groenig witte eieren worden afgezet op een schoon gepoetst stuk hout of platte steen. Na 3 à 4 dagen komen deze uit, jongen zwemmen ongeveer een week later vrij en kunnen dan met ➛Artemia of vergelijkbare grootte ➛jongbroedvoer worden gevoerd. De jongen groeien snel.

Geschikt voor aquaria vanaf 500 liter.

Temperatuur: 22 tot 26° C

pH: 6-7   dH: 8-12   fH: 14-21   ppm: 130-200

Kopen: ok.

heteróclita

= afwijkend gevormd.

Bolbítis