BrycinusBrycinus nurse

Brycínus

= afgeleid van Brycon.

Geslacht van karperzalmen met meer dan 30 soorten uit de familie van de ➛Alestidae.

Vrij grote Afrikaanse vissen met een hoog maar toch slank en langwerpig lichaam, wat komt door de scherpe knik omhoog die de buiklijn bij de aarsvin maakt. Hierdoor is de staartwortel in verhouding vrij dun. Rug- en buiklijn lopen min of meer parallel. Vetvin aanwezig. Vaak grote, zilverkleurige schubben.

Deze grote vissen worden om hun formaat zelden gehouden. Sterke scholenvissen die het beste in een groep met minimaal acht dieren kunnen worden gehouden. Eenvoudig te houden en geschikt voor een gezelschapsaquarium. Levendige zwemmers én springers, een goed afgedekte bak is daarom raadzaam. Zorg voor voldoende zwemruimte en gebruik bij het beplanten vooral de steviger planten: al te zachte soorten worden mogelijk gegeten. De vissen zijn gesteld op stroming, ook is goede filtratie aan te raden. Deze vissen verlangen wat meer warmte dan gemiddeld.

In de natuur leven de dieren van divers voedselaanbod, waarbij zowel algen als kleine kreeftachtigen en insecten worden gegeten. Ook kleine vissen staan op het menu, reden om die niet te combineren. Biedt daarom een mix van zowel ➛dierlijk als ➛plantaardig voedsel aan.

Kweken is vaak niet moeilijk, het zijn alle productieve ➛vrijleggers.

macrolepidótus

Valenciennes 1850

Verspreid over equatoriaal Afrika, maar ontbreekt in de Gambia rivier. Te vinden in de gehele Congo rivier. Voornamelijk in scholen in stromend water, ook brak, in de middenzone.

Brycinus macrolepidotus
Brycinus macrolepidotus. © ➛G. Walsh

Lichaam volgens de geslachtsbeschrijving, met zeer grote schubben. Aangegeven grootte wordt n aquaria zelden gehaald en blijft gemiddeld steken op 25 cm. Een noordelijke en zuidelijke vorm worden onderscheiden, die onderling kruisen, waardoor vele tussenvormen bestaan. Geheel zilverwit gekleurd, met roodachtige ongepaarde vinnen, vooral vetvin en staartpunten. Op de staartwortel een zwarte vlek met een kleine goudgele er boven. Ook een onduidelijke zwarte lengtestreep komt voor, met kleurloze vinnen.

Lengte tot 53 cm.

Verzorging en gedrag als bij het geslacht vermeld. De kweek is nog niet gelukt.

Geschikt voor aquaria vanaf 1200 liter.

Temperatuur: 22 tot 28° C

pH: 6-8   dH: 4-12   fH: 7-21   ppm: 70-200

Kopen: ok.

núrse

Rüppell 1832

Soort met een breed verspreidingsgebied lopende van Gambia tot Kenia en van daar tot in het stroomgebied van de Nijl, maar ontbreekt in Guinee.

Uiterlijk en kleur als vermeld bij het geslacht. Lichaamsvorm variabel afhankelijk van lokatie. Oost-Afrikaanse dieren zijn slanker dan West-Afrikaanse, met een andere schubverhouding. Rond de zwarte staartwortelvlek is een goudkleurige rand aanwezig. Achter de kieuwdeksel soms een zwarte vlek aanwezig. Vinnen roze tot rood.

Lengte tot 20 cm.

Verzorging en gedrag als bij het geslacht beschreven.

Goed te kweken, tot 25.000 eieren worden afgezet.

Geschikt voor aquaria vanaf 800 liter.

Temperatuur: 22 tot 28° C

pH: 6-8   dH: 4-30   fH: 7-53   ppm: 70-500

De soort kent drie ondersoorten: B. nurse nurse uit het Nijlgebied en Afrikaanse westkust, de dwergvorm B. nurse nana uit het Turkanameer en B. nurse dageti uit het Tsjaadmeer.

Kopen: ok.