Klein geslacht van tandkarpers met 7 soorten uit de familie van de ➛Aplocheilidae.
Afrikaanse killivissen met een langgerekte, torpedovormige bouw. Lichaam zijdelings nauwelijks samengedrukt, enkel nabij de staart. Staartwortel geschubd. Kop van boven afgeplat, met een brede, bovenstandige bek. Rugvin ver achterwaarts staand. Enkele soorten zijn vrijwel identiek aan elkaar.
Vrij agressieve vissen die onderling bijterig kunnen zijn, vooral de mannen. Tot serieuze schade leidt dit echter niet. Zorg voor een dichte beplanting en voldoende ruimte als meerdere stellen worden gehouden. Schuilplaatsen kunne met hout en stenen worden gemaakt. Een donkere bodem en gedempte verlichting doen de kleuren beter uitkomen. Dek het aquarium goed af, gezien de springlust.
Al te klein gezelschap eindigt mogelijk als maal, tot vrij grof ➛dierlijk voedsel wordt gegeten. Dit kan als levend, diepvries en droogvoer.
Goed te kweken vissen, die gedurende een periode van een week tot vele tientallen eieren tussen planten leggen. Na een kleine 2 weken komen deze uit. De ouders eten zowel eieren als jongen, met voldoende dekking overleven er veel, maar anders kan een kweekmop uitkomst bieden. Deze kan na de leg in een andere bak worden gehangen om uit te komen. Voeren kan met Artemia formaat ➛jongbroedvoer.
Inheems in het stroomgebied van de Mahavavi en Betsiboka rivier in noordwest Madagaskar. Weinig kieskeurig wat de omgeving aangaat en daarom te vinden in moerasgebied, beken en poelen zonder enige plantengroei.
Verschijning bijna identiek aan P. sakaramyi, daarvan te onderscheiden door de schubben op de borst, die even groot zijn als die op de flank.
Lengte ♀ tot 6 cm, ♂ tot 8 cm.
Verzorging, gedrag en kweek als bij het geslacht vermeld.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
pH: 6-8 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200
Een kwetsbare soort.
Endemisch op het eiland Nosy Be bij Madagaskar en rivieren op het nabijgelegen vasteland, in de midden- en benedenloop van beschaduwde rivieren en beken. Bodems van stenen en zand.
Lichaamsvorm volgens de geslachtsomschrijving. Kleur variabel afhankelijk van de locatie, zo zijn er een blauwe, gele of rode vorm. Die laatste heeft, met name de achterste lichaamshelft, vele smalle dwarsstrepen op de onderste flankhelft (Ambatozavavy rivier, Nosy Be). Voorkant lichtblauw. In het stroomgebied van de Sambirano komt eveneens een rode vorm voor met een vrij brede, donkere lengtestreep vanaf de onderlip die, over het oog, naar de staart toe vervaagt. De blauwe vorm soms met vinnen met een rode tot donkergrijze gloed, met blauwige randen. De 'Gold' vorm is gekweekt.
Lengte ♀ tot 7 cm, ♂ tot 9 cm.
Verzorging, gedrag en kweek als bij het geslacht beschreven.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 20 tot 28° C
pH: 6-8 dH: 0-18 fH: 0-32 ppm: 0-300
Zoek in oudere literatuur naar P. homalonotus.
Endemisch op de Granieteilanden van de Seychellen, in kleine bosbeken. Ook in ➛brak water.
Typerend aan deze soort zijn de enigszins opstaande schubben op de rug. Kleur rozig tot bruinig wit, met daarover een licht oranjebruine tint. Schubben licht metaalblauw, afgewisseld met tot 7 achterwaarts aflopende, onregelmatig onderbroken rijen van bleek oranje exemplaren. Vinnen met lijn- en stippatronen in dat zelfde blauw en oranje. Rugvin met een gele rand, staart- en aarsvin met een zwart. Rug roestbruin tot olijfgroen. Vrouwen van andere soorten te onderscheiden door de zwarte vlek in de rugvin.
Lengte ♀ tot 9 cm, ♂ tot 10 cm.
Verzorging gedrag en kweek als bij het geslacht aangegeven. Tot 200 eieren die na 12 dagen uitkomen
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 18 tot 24° C
pH: 6-8 dH: 4-18 fH: 7-32 ppm: 70-300
IUCN gegevens onvolledig.