LeptochilusLeptodictyum riparium

Leptóchilus

= met een fijne punt.

Geslacht van varens met ten minste 30 soorten uit de familie van de ➛Polypodiaceae.

Varens met een kruipende ➛wortelstok, die zich met ➛hechtwortels op harde ondergrond vastzetten. Langwerpige tot ovaalronde bladeren, helder hardgroen tot donkergroen gekleurd, soms diep ingesneden of geveerd.

De enige soort die permanente onderwatercultuur verdraagt is L. pteropus, de Javavaren.

ptéropus

Blume 1933

Javavaren

Leptochilus pteropus
De immer populaire Javavaren.
Komt voor in Maleisië, Thailand, noordoostelijk India en delen van China. Te vinden op stenen en boomwortels aan de rand van rivieren en meren.

Zet zich met taaie zwartbruine dunne ➛hechtwortels vast op harde ondergrond. De lancetvormige bladeren groeien vanuit een ➛rizoom in verspreide stand omhoog en zijn stug en hardgroen van kleur. Het uiteinde buigt daarbij geleidelijk om tot horizontaal. Bladeren worden zo'n 40 mm. breed.

Hoogte tot 15 cm, breedte tot 30 cm.

Zeer populaire aquariumplant, wat grotendeels is te danken aan de verdraagzaamheid en gemak in de verzorging. Dat maakt ze, samen met de stugheid van de bladeren, ook populair in kweekbakken en speciaalaquaria waar andere planten niet kunnen gedijen, zoals in ➛brak water. Eén ding moet zeker wel worden vermeden: de planten moeten worden opgebonden en nooit ín de grond worden geplant, al kan de plant wel met de wortelstok óp de grond worden gepoot. De plant kan met weinig ➛licht toe, maar groeit beter met wat meer. Plantenvoeding en CO₂ hebben maar beperkt effect op de groei. Erg hoge temperaturen veroorzaken meer zwarte vlekken op de bladeren.

Vermeerderen kan op twee manieren. Het opbinden van afgenomen zijtakken van 2 cm of meer is een mogelijkheid, maar oudere planten maken soms jonge ➛adventiefplanten aan langs de rand van wat oudere bladeren. Deze kunnen worden losgemaakt zodra deze hechtwortels maken, om ze daarna op te binden op steen of hout.

Geschikt voor aquaria vanaf 60 liter.

Temperatuur: 20 tot 28° C

pH: 5-7   dH: 0-30   fH: 0-53   ppm: 0-500

Lang bekend geweest onder het geslacht Microsorum of Microsorium. De eerste naam werd gepubliceerd, de andere wordt echter ook gebruikt, ook door de publicist zelf.

Er zijn meerdere cultivars in de handel verkrijgbaar, zoals de 'Narrow' een kleinbladige vorm, de 'Trident' en 'Windeløv' met aan de top meervoudig gespleten bladeren, de laatste een stuk kleiner; de 'Tropica' met onregelmatige punten langs de bladrand; de 'Red' met roodbruine, aan de top in drie lobben gespleten bladeren; de 'Phillipine', met zeer sterk gebobbelde bladeren; en de 'undulata' met grote, aan de rand golvende bladeren.

Leptodíctyum

= met slanke cellen.

Klein geslacht van mossen met 4 soorten uit de familie van de ➛Amblystegiaceae.

Aan ➛Amblystegium nauw verwante bladmossen die permanent onder water redelijk goed gedijen. Ook in de natuur leven komen soorten onder water voor, groeiend met opgaande stengels vanuit vastgehechte matten. De frisgroene stengels kunnen zeer fijn zijn. Boven water meer horizontale groei. Verdragen redelijk veel licht.

ripárium

Schimper 1853

Beekpluisdraadmos

Leptodictyum riparium
Beekpluisdraadmos
Verspreiding wereldwijd, zowel ondergedoken als op vochtige grond. In België en Nederland algemeen.

Groeiwijze als bij het geslacht vermeld. Lijkt sterk op A. serpens, maar met grotere blaadjes, uitlopend in een spitse punt. Dikkere sporenkapsels met knik.

Hoogte tot 10 cm, breedte tot 2 mm.

Makkelijk te houden soort, die goed gedijt op vloeibare plantenvoeding en veel licht verdraagt.

Geschikt voor aquaria vanaf 10 liter.

Temperatuur: 10 tot 26° C

pH: 6-8   dH: 0-30   fH: 0-53   ppm: 0-500

Determinatie bleek niet eenvoudig: de plant kent ruim 175 (!) synoniemen, waaronder enkele binnen het geslacht Amblystegium.