Klein geslacht van waterplanten met 4 soorten uit de familie van de ➛Nymphaeaceae.
Volgens sommige wetenschappers verdient dit geslacht een eigen familie, Barclayaceae, op basis van bloemkenmerken. Bladeren zijn vrijwel rond, ovaal of, bij de al lang bekende B. longifolia, langwerpig. De planten vormen een knolvormig rizoom. De vele bladeren staan in een rozet. Geregeld komen er bloemen die met uitgeklapte schutbladeren op het water drijven.
Inheems in het Zuid-Oost Azië. Planten groeien vaak in een wat beschaduwde of zonnige plaatsen in snelstromend water.
De enige soort binnen het geslacht heeft langwerpige bladeren die aan de achterkant tot de steel ondiep zijn ingesneden. Bladstelen nemen tot een kwart van de totale bladlengte in. Er bestaan twee kleurvariëteiten, een groene variant met bladeren die aan de bovenkant bruingroen en aan de onderkant rood tot paarsrood zijn, en een bruine variant met een roodbruine onderkant.
De plant maakt vele bladeren aan, maar ook geregeld een bloem. Afhankelijk van de voeding haalt deze het oppervlak of niet. In het laatste geval blijkt de bloem ➛cleistogaam.
Hoogte tot 50 cm, breedte tot 25 cm.
Een wat moeilijke plant, die een goede bodemvoeding verlangt. Met weinig licht neemt de plant daarentegen al genoegen. De plant is warmtebehoeftig, en verlangt, net als ➛Cryptocorynen, een warme bodem.
Geregeld loopt de plant terug en neemt een rustpauze. Geen nood: na verloop van tijd komt de plant weer terug met vele bladeren. De bladeren, breekbaar en dun, zijn wel gevoelig voor slakkenvraat.
Een uit de kluiten gewassen B. longifolia maakt geregeld uitlopers, die, eenmaal geworteld, kunnen worden losgemaakt en uitgezet. Ook het zaad uit de cleistogame bloemen is kiemkrachtig.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 25 tot 28° C
pH: 5-7 dH: 0-8 fH: 0-14 ppm: 0-130
Klein geslacht van ➛karperzalmen met 10 soorten uit de familie van de ➛Acestrorhamphidae.
Recent in het leven geroepen geslacht, waarvan meerdere soorten voorheen onder het geslacht ➛Hemigrammus, ➛Moenkhausia en Tetragonopterus, vielen. Lichaam langwerpig en hoekig ovaal, zijdelings sterk samengedrukt. Opvallend is daarbij de gezette buiklijn die achterwaarts lang rechtuit loopt, met als gevolg een forser voorkomen dan familiegenoten. Snuit daardoor stomper, met een kleine, eindstandige bek. Ook bij deze karperzalmen is enkel de aarsvin lang, de staartvin gevorkt. Een vetvin is aanwezig. Opvallend is de bijna altijd helderrode bovenkant van de iris en de goudgele vlek op staartwortel. Meerdere sterk gelijkende soorten.
Bijzonder levendige vissen die de voorkeur geven aan de middelste en onderste waterlaag. Zie voor verzorging, gedrag en kweek de algemene beschrijving onder karperzalmen (link boven).
Enkel bekend in de Braziliaanse staat Mato Grosso, in het stroomgebied van de Rio Paraguay en de Rio Tapajós. Altijd nabij begroeiing of oevervegetatie.
Afwijkend van de ander soorten, door de helderblauwe iris, de ontbrekende gele vlek op de staartwortel en de rode bovenlip. Ook de bouw is wat afwijkend en komt meer met andere karperzalmen overeen, minder fors. Op de staartbasis is wel een ronde zwarte vlek aan het einde van de brede zwartbruine lengtestreep. Boven deze laatste loopt een licht beigegele band. De bovenste lichaamshelft heeft soms een paarsige weerschijn.
Lengte tot 6 cm.
Geschikt voor aquaria vanaf 100 liter.
Temperatuur: 22 tot 28° C
pH: 5-7 dH: 0-12 fH: 0-21 ppm: 0-200
In het Engels bekend als 'lipstick tetra'.
Kopen: ok.