Uitgebreid geslacht van kevers met ruim 50 soorten uit de familie van de ➛Dytiscidae.
Roofkevers met een breed gestroomlijnd lichaam die met zeven soorten in Nederland en België zijn vertegenwoordigd. Zowel kevers als larven leven van de jacht op prooien tot twee keer hun eigen grootte.
Geelgerande waterroofkever, gewone geelrand
Inheems in de noordelijke helft van het Euraziatische continent. In Nederland en België algemeen.
Zwarte, platte kever met een groenige glans. Vrouwen hebben groeven in langse richting over de dekschilden lopen, bij de man zijn deze gladder. Mannen hebben aan de voorpoten een zuignapachtige verdikking, bedoeld voor grip op de groeven van de rug van de vrouw tijdens de paring. Monddelen, ➛thorax en dekschilden zijn van een dof goudgele rand voorzien. De kleine kop heeft duidelijke zwarte ogen. Vier voelsprieten met dezelfde goudgele kleur, de buitenste twee lang, de binnenste tot een derde daarvan. De achterste poten zijn lange geveerde zwempoten. De onderzijde en poten van de kever zijn roodachtig goudgeel.
Lengte ♀ tot 40 mm, ♂ tot 5 cm.
De larve is bruin doorschijnend en tot 6 cm lang, slank, met zes normaal ogende poten die alle worden gebruikt bij het zwemmen. De ronde, platte kop heeft twee kromme gifnaalden van 3 mm lengte die op de hoek van de kop scharnieren.
Grote, roofzuchtige kever die op het zicht jaagt. Verschalkt prooien groter dan zichzelf, dus ook vissen zijn niet veilig. Anderzijds is de kever een aquarium op zich waard. Niet alleen de kever is een rover, ook de monsterlijke larve kan er wat van. 50 kikkervisjes per dag is een normale inname. Ook soortgenoten schuwt de larve niet. Gelukkig zijn zowel de kever als de larve door hun grootte niet over het hoofd te zien.
E